1916, de duitse tijd

Als de Australiërs in Fromelles hun vuurdoop krijgen en zware verliezen lijden, wordt de stad Rijsel door twee rampen getroffen. In januari 1916 ontploft het munitiedepot van Dix-Huit Ponts, waardoor de wijk Lille-Moulins zo goed als met de grond gelijk gemaakt wordt. In april 1916 wordt het stadhuis door een accidentele brand vernield.

Het bezette gebied kampt met de moeilijkheden van het dagelijks leven.

Vooral vrouwen en kinderen hebben te lijden onder de oorlog. Ze zijn ook de symbolische inzet van de propaganda van beide kampen.

De economische bedrijvigheid wordt zo goed en zo kwaad als het gaat, georganiseerd. Er is een groot tekort aan materiaal en de werkloosheid piekt. De distributiekanalen zijn volledig ontregeld. Doordat er geen productie is, duikt ook ondervoeding op, die nog eens wordt verergerd door de blokkade van Duitsland door de Geallieerden.

Het Comité d’Alimentation du Nord de la France (voedselcomité van Nord) verstrekt wel hulp aan iedereen en helpt België via de Commission for Relief in Belgium en het Comité hispano-américain.[c1] 

De Duitse overheid moet drie problemen oplossen.

Eerst moet het aantal “nutteloze monden” dalen om het leger te kunnen bevoorraden; en dus worden kinderen naar Nederland geëvacueerd, andere burgers worden naar het platteland of Zwitserland gebracht.

Vervolgens moet vermeden worden dat de gezondheidstoestand nog verder achteruitgaat, en dus moet de strijd worden aangebonden tegen de tyfusepidemie en geslachtsziekten die de soldaten bedreigen.

Tot slot worden notabelen gegijzeld opdat de bevolking zich zou onderwerpen. Hoewel de onderhandelingen met de Franse regering voor de bevrijding van Duitse krijgsgevangen mislukken, beslissen de Duitsers in 1916 en 1918 om enkele honderden mensen eerst naar Holzminden en dan naar Litouwen te deporteren.