1917-1918, la reconstruction
Als de wapenstilstand het einde van de gevechten inluidt, ervaren soldaten en burgerbevolking een onmetelijke opluchting. Toch is het conflict officieel nog niet afgelopen.
De voorwaarden voor de vrede moeten met Duitsland besproken worden, de burgers moeten zich weer vestigen in de bezette, maar nu bevrijde gebieden, en er moet een periode van “einde van de oorlog” worden ingezet, die door militairen en burgers wordt gezien als een “terugkeer naar het normale leven”, ook al is alles dan veranderd. Voor iedereen beginnen dan enkele maanden van wachten, ongerustheid en frustratie.
Eerst moeten vier miljoen soldaten gedemobiliseerd worden. De burgers die ter plaatse zijn gebleven, moeten een onderkomen zien te vinden in ruïnes. De situatie is onzeker, in de regio is een immense volksverhuizing aan de gang. In de landelijke zones zijn de landbouwgronden verzadigd van lijken, obussen en chemische producten, waardoor ze onbruikbaar zijn voor bebouwing, sommige zelfs tot in 1976. Door het tekort aan leidingwater en voedselbevoorrading kampen de inwoners op het einde van de oorlog met een erbarmelijke gezondheidstoestand. Kinderen hebben ernstige groeiachterstand opgelopen. Hun organisme is dermate verzwakt dat ze maar weinig weerstand hebben tegen de Spaanse griep, die bijna evenveel slachtoffers maakt als de oorlog zelf.
Daar komen nog eens de fysieke en psychische wonden van de soldaten bij en er zijn vele oorlogswezen en -weduwen, die wel staatssteun krijgen, maar dat compenseert niet het verlies van een dierbaar iemand.
Het verlangen om te herdenken groeit en vanaf 1919 komt het herdenkingstoerisme op gang: mensen willen zich de gesneuvelden voor het vaderland herinneren.
Onmiddellijk na de oorlog willen overheid en lokale bevolking dus bouwen aan een toekomst, met economische groei en sociale vooruitgang als grondvesten. Voor de “wedergeboorte” wordt in eerste instantie het productieapparaat (industrie en landbouw) hersteld, maar ook gemoderniseerd. In de naoorlogse periode wordt bovendien op grote schaal elektriciteit aangelegd in de steden en op het platteland; de wet-Loucheur organiseert vanaf 1928 de financiële tegemoetkoming van de staat inzake woongelegenheid voor het volk.
Het is ook de periode waarin de mensen leren wat vrijetijdsbesteding is, en er ontstaat een volkscultuur, ook al komen er geleidelijk aan, binnen en buiten de grenzen, opnieuw spanningen.