-
Accueil
>
- 1916, de Duitse tijd >
- Gijzelingen, deportatie >
- De deportaties
De deportaties
Vanaf het begin van de oorlog organiseerde de Franse regering de deportatie van Duitse onderdanen die op het Franse grondgebied woonden. Op dezelfde manier werden de keizerlijke functionarissen en de personen van Duitse afkomst geïnterneerd toen de Franse troepen de Elzas binnenvielen in 1914. De Franse concentratiekampen werden ondergebracht in het Zuiden en het Westen van Frankrijk. De Duitsers die in het Noorden wonen, worden gedeporteerd naar het eiland Tatihou in Normandië.
Er worden onderhandelingen gestart tussen de Duitse en Franse regeringen voor de invrijheidstelling van de gedeporteerden. Om druk uit te oefenen op de Franse regering beslissen de Duitsers om in november 1916 en januari 1918 inwoners van de bezette gebieden te deporteren. De gedeporteerden zijn notabelen, zowel mannen als vrouwen.
De gedeporteerden van 1916 bestaan uit 300 mensen van het Noorderdepartement en worden geïnterneerd in Holzminden in het hertogdom Brunswick. De levensomstandigheden zijn er draaglijk, zelfs al hebben de gevangenen te lijden onder eenzaamheid, ontbering en pesterijen. De eerste gijzelaars worden in april 1917 gerepatrieerd.
In 1918 worden de vrouwen opnieuw gedeporteerd naar Holzminden, terwijl de mannen naar Litouwen worden gebracht, waar de interneringsomstandigheden veel slechter zijn. De gevangenen lijden onder koude, voedsel- en drinkwatertekort, slechte huisvestingsomstandigheden, ongedierte en vernedering. 26 gijzelaars laten hier het leven.