-
Accueil
>
- 1914, het vreselijke jaar >
- Wreedheden, gewald, vluchtelingen >
- De vluchtelingen
De vluchtelingen
Vanaf de eerste dagen van de oorlog tracht de burgerlijke bevolking te vluchten uit de zones die gevaarlijk geworden zijn door de opmars van de Duitse troepen. Belgen, Fransen gaan massaal de weg op. Geëvacueerd door militairen, op de vlucht uit angst voor de vijand, het is in zeer grote wanorde en in de allergrootste ontbering dat ze een uitweg proberen te zoeken om te ontsnappen aan de drama’s van de oorlog. Een algemene anarchie heerst over de gebieden van het Noorden en de militaire en burgerlijke overheden moeten oplossingen zoeken om het goede verloop van de militaire operaties en het leven van de burgers, getuigen en al te vaak slachtoffers van de gevechten te vrijwaren. De vluchtelingen worden eerst geëvacueerd naar het naburige gebied van de Pas-de-Calais, vervolgens naar de Seine, Seine-Maritime, de Oise, de Seine-et-Oise en naar heel Frankrijk. Al snel willen de meesten terugkeren naar hun huis.
In september 1914 wordt er in de gemeentes een onderzoek van de prefect ingesteld om het aantal Duits-Oostenrijkse onderdanen die in het departement verblijven te tellen, met name de mobiliseerbare manschappen of de notabelen die beschouwd kunnen worden als gijzelaars. De Duits-Oostenrijkse onderdanen worden geëvacueerd naar het eiland Tatihou (nabij Saint-Vaast-la-Hougue). De Duits-Oostenrijkse gemeenschap wordt reeds vele jaren geïnstalleerd in het Noorderdepartement en vertegenwoordigt een honderdtal personen. Bepaalde manschappen zijn gehuwd en hebben een gezin gesticht. De Duits-Oostenrijkse onderdanen werken in de industrie, de restauratie, het onderwijs, de handelszaken, de horeca en het hotelwezen.