-
Accueil
>
- 1917-1918, DE WEDEROPBOUW >
- Reconstructie >
- Wederopbouw van de industrie
Wederopbouw van de industrie
Aanvankelijk krijgt de heropstart van de minder getroffen ondernemingen de voorrang. De staat bezorgt hun materiaal dat in Duitsland werd gerecupereerd, zodat ze de productie zo snel mogelijk kunnen hervatten. De wederopbouw van de industrie wordt aan privé-initiatief overgelaten, met vooral de hulp van de staat (die 30% van de geraamde oorlogsschade voorschiet) en de kamers van koophandel. De banken anticiperen op de schadevergoeding en lenen rijkelijk aan ondernemingen waarvan het krediet onbesproken is. In Tourcoing opent de katoenspinnerij Motte-Frères in juni 1919 opnieuw haar deuren en nog datzelfde jaar zijn ook de textielfabrieken Tiberghien-Frères weer operationeel. In de mijnen worden vanaf het najaar van 1919 de minst getroffen mijnschachten weer ontgonnen. Op andere plaatsen moeten ondergelopen schachten leeggepompt, spoorwegen opnieuw aangelegd en boven¬grondse installaties heropgebouwd worden; de schachttorens moeten met masten en lieren weer rechtgetrokken worden, of ze moeten opnieuw gemaakt worden, maar er is een schrijnend tekort aan metalen liggers (en dus wordt gewapend beton gebruikt, maar dat maakt dat deze torens bijzonder zwaar worden). De Fosse Gayant, van de Mines d’Aniche, wordt pas in 1925 weer in gebruik genomen. In Douai wordt in 1920 de “Groupement des houillères du Nord-Pas-de-Calais” opgericht; deze groepering van steenkoolmijnen centrali-seert en beheert de voorschotten van de staat voor de oorlogsschade, om de heropbouw in een stroomversnelling te brengen en buitenlandse, met name Britse, concurrentie te beperken. Vanaf 1924-1925 halen de steenkoolmijnen van Nord weer evenveel, zo niet meer, steenkool boven als in 1912-13. Er worden zelfs nieuwe winningsplaatsen geopend, zoals in Lallaing (1923-1925), Pecquencourt (1921) en Lewarde (1927). Tegelijkertijd worden ook nieuwe steenkoolverwerkingsbedrijven gebouwd, zoals de cokesfabriek in Auby of de chemische bedrijven in Waziers. Vooral thermische centrales krijgen veel aandacht omdat de vraag naar elektrische energie maar blijft stijgen. In Valenciennes wordt de volledig vernieuwde centrale in 1920 weer opgebouwd. “L’énergie électrique du Nord de la France” start in 1919 haar thermische centrale in Wasquehal weer op, die veel te lijden heeft gehad onder de bezetting, en beslist nog datzelfde jaar om in Komen, aan de oever van de Leie, een nieuwe eenheid te bouwen, met een vermogen van 150.000 kW. Die eenheid is in 1921 klaar. De firma Kuhlmann brengt haar minst getroffen installaties weer in orde en maakt van de herstelwerkzaamheden gebruik om nieuwe fabricageprocedures in te voeren, de geografische spreiding van haar Franse fabrieken te herzien en nieuwe producten te vervaardigen.
De getroffen molenaars verenigen zich in 1920 in de “Meunerie lilloise” en bouwen in Marquette aan de oevers van de Deule, een ultramoderne maalderij, die in juni 1923 in gebruik wordt genomen. Sommige industrieën, zoals brouwerijen en stokerijen, komen de oorlog niet te boven; de glasblazerijen komen met moeite weer op gang.
Deze voorbeelden van geslaagde reconstructie mogen niet verhullen dat het industriële profiel van de regio werd hersteld zoals het voor de oorlog was. Van innovatie is er nauwelijks sprake. De industrie is even weinig gediversifieerd als in 1914. De traditionele industrieën die in de 19e eeuw het departement Nord zijn rijkdom schonken – steenkool, metaalindustrie en textiel – worden heropgestart en de productiecapaciteit wordt opgetrokken.