-
Accueil
>
- 1917-1918, DE WEDEROPBOUW >
- Reconstructie >
- De wederopbouw van Rijsel
De wederopbouw van Rijsel
Voor de wederopbouw worden eerst de dringendste zaken aangepakt: het centrum her-inrichten en de industrie in de door de ontploffing verwoeste wijk Moulins heropstarten. Door de dringende noodzaak en de financiële moeilijkheden zijn aanvechtbare oplossingen soms onvermijdelijk. In de Moulins-wijk worden de fabrieken en woningen haast identiek heropge¬bouwd. Vooral het binnenplaatssysteem blijft behouden. Uiteraard worden wel enkele verbeteringen aangebracht: de woningen worden globaal genomen groter gemaakt door er een verdieping aan toe te voegen. Maar er wordt geen enkel stedenbouwkundig beleid gevoerd. De Rue de Ronchin bijvoorbeeld (nu de Rue Jean-Jaurès) wordt na de oorlog volledig heropgebouwd, maar het lijkt wel of ze zo uit de 19e eeuw stamt. In het stadscentrum worden maar weinig wegen verbreed en komen er ook maar weinig nieuwe wegen bij. Dat de wederopbouw zo traag gaat, wordt regelmatig in de pers en door de buurtbewoners aange¬klaagd. Het grootste probleem is de schadevergoeding voor eigenaars van gebouwen die nog overeind staan in sectoren die voor de rest grotendeels vernield zijn. Om de Rue de Béthune te verbreden bijvoorbeeld zou één kant van de straat afgebroken moeten worden; de andere kant werd gebombardeerd. In tegenstelling tot wat in Cambrai wordt gerealiseerd, weigert de staat hier de kosten voor de onteigeningen op zich te nemen, en het verbredingsproject wordt op het einde van de jaren twintig afgeschreven. De wederopbouw van de Rue Faidherbe krijgt voorrang. Ondanks de hedendaagse technieken met gewapend beton, blijft het decor ongewijzigd en is het volledig geïnspireerd door het kleinburgerlijke eclectisme van de 19e eeuw. Alleen in de aanpalende straten duiken enkele originele, door het expressionisme geïnspireerde gebouwen op. De invloed van de decoratieve kunst is bijzonder goed voelbaar in het gebouw in de Rue de l’Hôpital militaire, naar een ontwerp van de architecten Louis-Marie en Louis-Stanislas Cordonnier, vader en zoon. Er wordt opmerkelijk veel zorg besteed aan de keuze van de materialen en de kwaliteit van het werk i.v.m. de weerspiegelingen.
De vrede, het Verdrag van Versailles en de beloofde herstellingen doen in Rijsel echter de hoop ontstaan dat de stad, die een industriestad is, rationeel heringericht zal worden. Als met de wet van 19 oktober 1919 de vestingstad van Rijsel eindelijk wordt gedeklasseerd, wordt de versterkte omwalling afgebroken. De 700 hectare intra-muros wordt met 400 hectare uitge¬breid. Nog tijdens de oorlog hebben de “Amis de Lille” een commissie voor ruimtelijke ordening opgericht. Het socialistische stadsbestuur neemt het project over en lanceert op 3 mei 1920 een ideeënwedstrijd; de laureaten daarvan – Jacques Greber en Louis-Stanislas Cordonnier – worden uiteindelijk niet gekozen, maar wel Emile Dubuisson. Het stads- en verfraaiingsplan van 1921 houdt rekening met enkele belangrijke verplichtingen die in feite door het stadsbestuur worden opgelegd. De voornaamste doelstelling is om de stad opnieuw te centreren rond het stadhuis, dat in het hart van de arbeiderswijk Saint-Sauveur heropge¬bouwd wordt. Dat het station naar de rand wordt verschoven en tot een tussenstation wordt omgevormd, gaat eveneens in die richting: het bestaande centrum moet uitgebreid worden. Verplaatsingen in en om de stad moeten vlotter door de creatie van een dubbel verkeers¬systeem: zo wordt de binnenring voltooid door de aanleg van een verkeersas die vlak langs de Notre-Dame de la Treille-kathedraal loopt; een ringboulevard komt op de plaats waar de walmuren stonden, en vormt de ruggengraat van de groene gordel; er wordt ook nagedacht over een nieuwe verkeersas die Rijsel en Armentières zou verbinden met het begin van de Grand-Boulevard Lille-Roubaix-Tourcoing. Nu het stadhuis verplaatst wordt en er nieuwe verkeersaders worden getrokken, worden meteen ook saneringswerken uitgevoerd: de wijk Saint-Sauveur, die bekendstaat om zijn onbewoonbaarheid, wordt met de grond gelijkge¬maakt en het stadsbestuur begint de oorlogsschadevergoedingen van de particulieren over te nemen. De verwezenlijkingen voldoen niet aan de verwachtingen. De ontmanteling slorpt een groot deel van het financiële potentieel van de stad op. Het plan van 1921 zou een model moeten zijn van vernieuwd lokaal beheer, maar het is verstoken van een zekere durf en neemt de formules over van de 19e-eeuwse stedenbouwkunde: de vroegere structuur wordt vernietigd en gesaneerd, de stad wordt opnieuw gecentreerd en het verkeer wordt vlotter gemaakt. De nieuwe ideeën van het project van Jacques Greber en Louis-Stanislas Cordonnier, waarin ook de invloed voelbaar is van de ideeën van Tony Garnier en die van het Angelsaksische model, worden volledig afgeschreven.
De belangrijkste realisatie van het plan van 1921 is de bouw van het stadhuis, dat centraal staat in de stadsinrichting zoals ze door Emile Dubuisson werd uitgedacht, en het symbool is van de droom van een nieuwe wereld die de oorlog heeft doorstaan. Het gebouw staat op de Square Ruault, op een steenworp van de plek waar de Internationale werd gecomponeerd. Een straalvormig netwerk van wegen moet mensen naar het nieuwe tussenstation, de Grand-Place en de Place de la République brengen. Er komt ook een nieuwe wijk, die geïnspireerd zou zijn door het werk van Emile Dubuisson. De zo gecreëerde perspectieven zouden het gebouw plechtiger maken, met het belfort dat naar hemelgewelf wijst en getuigt van de heroverde kracht. Dit project kadert in de ideologische en politieke debatten van de naoorlogse periode. Als sommige leiders van de SFIO het door de euforie van de Natie en de godsvrede zonder marxisme moeten stellen, proberen ze hun politieke ambities anders te definiëren. De Amerikaanse invloed is in alle dimensies voelbaar. De grootte van het bouwwerk (104 meter voor de “Rue Municipale”, grote galerij van de administratieve vleugel) wordt alleen verklaard door het vooruitzicht van het ontstaan van Grand Lille, een grote agglomeratie die in haar eentje van de stad een hoofdstad kan maken. Het gaat echter om meer dan alleen een territoriale kwestie; net zoals het fors gedecentraliseerde administratieve systeem van de Angelsaksische landen, wordt de macht van de steden uitgebreid met sociale diensten, onderwijs, ...
Ook qua inrichting doet alles duidelijk aan de grote Amerikaanse banken denken: grote hal, zeer open balie, zelfs de klokken verwijzen naar de precisie die met de Amerikaanse reus, reeds toen kampioen van de logistiek, wordt geassocieerd.